Uit De Schatkamer Der Getuigenissen, vol. 3

115/289

HOOFDSTUK 34—KERKELIJKE TUCHT

In hun bemoeienis met dwalende gemeenteleden moet Gods volk nauwgezet de richtlijn volgen die de Heiland in het achttiende hoofdstuk van Mattheüs heeft gegeven. USG3 204.1

Menselijke wezens zijn Christus’ eigendom, door Hem gekocht tegen een oneindig hoge prijs, met Hem verbonden door de liefde die Hij en Zijn Vader voor hen aan de dag hebben gelegd. Hoe nauwgezet moeten we dan zijn in onze bemoeienis ten opzichte van elkander! Mensen hebben het recht niet van hun medemensen kwaad te denken. Wat de bemoeienis betreft aangaande medeleden die gedwaald hebben, mogen gemeenteleden hun eigen ingevingen en inzichten niet volgen. Zij moeten zelfs hun vooroordelen ten opzichte van de dwalenden niet kenbaar maken, want dan brengen zij in de gedachten van anderen de zuurdesem van het kwaad. Ongunstige verhalen over een broeder of zuster in de gemeente doen de ronde onder de gemeenteleden. Dan worden er fouten gemaakt en onrechtvaardigheid bedreven doordat iemand de door de Here Jezus gegeven aanwijzingen niet wil opvolgen. USG3 204.2

“Indien uw broeder tegen u gezondigd heeft,” zegt Christus, “ga henen en bestraf hem tussen u en hem alleen,” Mattheüs 18 r15. Vertel het kwaad dat geschied is niet aan anderen. Want dan wordt het overgebriefd van de een aan de ander; en steeds wordt het verhaal aangedikt en het kwaad groeit, tot de gehele gemeente er onder te lijden heeft. Los de kwestie op “tussen u en hem alleen”. Dat is volgens Gods plan. “Vaar niet lichtvaardig voort om te twisten, opdat gij misschien in het laatste daarvan niet wat doet, als een naaste u zou beschaamd hebben. Twist uw twistzaak met uw naaste, maar openbaar het geheim van een ander niet.” Spreuken 25 :8, 9. Duld geen zonde in uw broeder; maar stel hem niet aan de kaak, want dan wordt de moeilijkheid nog groter en gaat de berisping op wraak lijken. Breng hem hef verkeerde onder het oog op de wijze ge-noemd in Gods Woord. USG3 205.1

Sta niet toe dat de geraaktheid uitgroeit tot wrok. Zorg dat de wond niet gaat zweren en openbreekt in giftige woorden, die de gedachten van de hoorders bezoedelen. Sta niet toe dat bittere gedachten bezit nemen van u en van hem. Ga naar uw broeder en praat in alle ootmoed en oprechtheid met hem over de kwestie. USG3 205.2

Wat ook de aard is van het kwaad, dit brengt geen verandering in het plan dat God heeft gemaakt om mis-verstanden en persoonlijke krenkingen uit de weg te ruimen. Wanneer men in de geest van Christus onder vier ogen spreekt met hem die de fout heeft begaan, zal dat de moeilijkheid vaak uit de weg ruimen. Ga tot de dwalende met een hart vol van Christus’ liefde en medeleven en probeer de zaak bij te leggen. Praat met hem op een kalme, rustige toon. Laat geen boze woorden over uw lippen komen. Spreek zó tot hem dat hij tot een beter inzicht komt. Gedenk de woorden: “Die een zondaar van de dwaling zijns wegs bekeert, zal een ziel van de dood behouden en zal menigte der zonden bedekken.” Jacobus 5 : 20. USG3 205.3

Breng uw broeder het geneesmiddel dat de ziekte van wrevel zal genezen. Doe wat gij doen moet om hem te helpen. En ter wille van de vrede en de eenheid in de gemeente, moet u het als een voorrecht en een plicht zien om dit te doen. Indien hij u wil aanhoren, hebt u hem als een vriend gewonnen. USG3 206.1